Leraar

Zoals de meesten van jullie wel weten ben ik gek op geschiedenis. Dat ik die kennis graag deel en er passievol over kan vertellen is ook geen geheim. Het is dus zeker niet toevallig dat mijn kinderboeken allemaal over historische onderwerpen gaan.

In het museum genoot ik er altijd van als kinderen (en hun ouders) mij vragen stelden over Willem van Oranje, de Opstand en het ontstaan van Nederland. Op rustige momenten, als mijn collega’s het wel even zonder mij konden redden, stond ik dan makkelijk een kwartier te praten met zo’n gezin. Geduldig vertelde ik wat ze wilden weten. Meestal waren de kinderen heel enthousiast en bleven de vragen komen. Regelmatig werd er dan gevraagd of ik geschiedenisleraar was van beroep. Nee dus. Verbaasde blikken van ouders of grootouders, die vonden dat ik daar heel geschikt voor zou zijn.

Afgelopen november volgde ik een cursus boekpromotie bij Stichting Booksupport (echt een aanrader, maar dat even terzijde). Docent Carolus Spitsbaard had geen standaard verhaaltje dat hij afdraaide, maar gaf alle cursisten echt advies op maat. Toen hij bij mij was aangekomen bleek zijn advies tegelijkertijd verrassend en voorspelbaar: ik moest bij scholen langsgaan om op basis van mijn boeken gastlessen geschiedenis te geven.

Het idee liet me niet meer los. Ik sprak erover met vrienden die in het onderwijs zaten. Langzaam maar zeker begon het project steeds concretere vormen aan te nemen, en voordat ik het wist had ik al een aantal aanvragen van geïnteresseerde scholen in mijn mailbox. Tijd om aan de slag te gaan.

De afgelopen weken heb ik een flink aantal lessen mogen doen, en wat heb ik daarvan genoten. Kinderen en leerkrachten zijn ontzettend enthousiast, en iedereen, inclusief ikzelf, vindt het jammer als de tijd voorbij is. Ik zou wel de hele dag door kunnen gaan.

Iedere les is weer anders. Soms kom ik in een gymzaal waar vijf of zes groepen (tot wel honderd kinderen) op me zitten te wachten, soms is het een les op een school voor speciaal onderwijs waar ik voor een kleine klas met zo’n vijftien leerlingen sta. Het is allemaal even leuk.

De grote uitdaging is dat niet alle kinderen op hetzelfde niveau zitten. Vaak weten ze al wel iets over Willem van Oranje en de Opstand, soms zelfs heel veel, maar een enkele keer hebben ze geen idee wie hij was.

In het laatste geval begin ik dan met een leuke opdracht. Wat zijn de verschillen tussen de zestiende eeuw en 2025? Links op het digibord heb ik een lijstje staan met termen zoals auto, fiets, telefoon, Netflix en Google Maps. Ik vertel dat dat in die tijd allemaal nog niet bestond en vraag wat er dan wel al was, om dat vervolgens aan de rechterkant in te vullen. De antwoorden zijn vaak verrassend. Dat de mensen in die tijd  in plaats van Google Maps papieren kaarten hadden weten de meeste kinderen wel, en een koets in plaats van een auto lukt ook nog wel.

Bij de andere woorden merk ik dat kinderen vaak nog niet hetzelfde besef van tijd hebben als volwassenen. Ik krijg dan te horen dat in plaats van een ‘normale’ fiets, ze er in die tijd een hadden ‘met een heel groot voorwiel’. In plaats van een mobiele telefoon hadden ze telefooncellen, zei een meisje. Het woord kende ze niet, maar ze beschreef in detail wat ze bedoelde. Netflix was er ook nog niet, maar mensen hadden wel een filmprojector met celluloidfilms meende een meisje (ook hier weer een ontzettend beeldende omschrijving bij gebrek aan het juiste woord). Grappig. Het zijn allemaal dingen van voor hun geboorte, maar een echt besef van hoe oud die dingen zijn hebben ze niet allemaal. Dat ik ze, op de antieke fiets na, wel allemaal heb meegemaakt zet me aan het denken. De ontwikkelingen in de wereld gaan snel, en ik voel me met mijn 53 jaar ineens heel oud.

Na een stukje voorlezen uit het boek en vertellen hoe lastig het voor Hayley, Jake en Lorna moet zijn geweest om zich aan te passen in de zestiende eeuw, maak ik dan het sprongetje naar Willem van Oranje. Op het digibord verschijnt een foto van de Vader des Vaderlands naast koning Willem-Alexander. Ik vraag wat de overeenkomst is tussen beide heren. Niet iedereen weet dat. Als ik het vertel komen de reacties. De één vindt dat de mannen best wel op elkaar lijken, een ander ziet de overeenkomst niet.

Geschrokken reacties als ik vervolgens vertel over Philips de Tweede en zijn kettervervolgingen. Ongeloof bij de leerlingen. Het maakt wel gelijk duidelijk waarom het zo belangrijk was wat Willem van Oranje heeft gedaan. Het is leuk dat veel leerlingen echt meedenken en ook intelligente vragen stellen. Iemand merkte de overeenkomt op tussen de protestanten in de tijd van de Opstand en de Joden in de Tweede Wereldoorlog, beide groepen mensen die op basis van wie ze waren door de bezetters werden gediscrimineerd en gedood.

Uiteindelijk komen we aan bij wat de leerlingen het interessantst vinden: de moord. Als ik vraag hoe dat gebeurd is, weten de meeste wel dat Balthasar een pistool gebruikt heeft. De term radslotpistool is nieuw voor ze, al weet een jongen in een van de groepen tot in het kleinste detail te vertellen hoe zo’n ding werkte. Bij een aantal lessen hebben we het ook nog even gehad over Willems vermeende laatste woorden, of hij die nu wel of niet gesproken heeft. ‘Hoe kan hij gelijk dood geweest zijn als die kogels zo klein waren?’ Niet de makkelijkste vraag om te beantwoorden op een manier dat een kind van 10, 11 jaar het begrijpt, maar ik houd van uitdagingen.

Als de kinderen vragen hoe het met Balthasar afgelopen is, blijf ik in eerste instantie vaag door te zeggen dat hij de doodstraf heeft gekregen en dat zijn einde ‘heel gruwelijk’ was. Ik kijk de juf aan. Is het gepast om meer details te geven? Ze knikt en zegt dat de kinderen oud en wijs genoeg zijn. Dan vertel ik over de afgehakte hand en het vierendelen. De kinderen kunnen het aan, al is de afschuw van hun gezichten af te lezen.

Dan is het tijd om af te ronden en de kinderen achter te laten met een paar opdrachten waar ze na mijn vertrek nog even mee aan de slag kunnen. Ik zie hoe de leerlingen enthousiast beginnen te tekenen en schrijven, terwijl ik mijn spullen inpak. Een jongen laat me nog snel zijn tekening zien. Een verbaasde blik van mij als ik het vel papier bekijk, waarna de jongen snel zegt dat het Balthasar is die zijn middelvinger opsteekt naar Willem van Oranje. Ik doe mijn uiterste best om niet in lachen uit te barsten.

Leraar zijn. Het voelt goed, al zie ik mezelf dit nog niet fulltime doen. Maar dat hoeft ook niet. Naast een baan in loondienst en het schrijven is dit een leuke aanvulling. Als ik vanaf nu een paar keer per maand een les mag geven ben ik een heel gelukkig mens. Op weg naar de uitgang word ik door een jongen aangesproken als ‘Meester Dennis’. Ik glimlach tevreden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Please reload

Please Wait